vrijdag 20 april 2012

Ingezonden brief Zorg&Welzijn voorjaar 2012

Dit is de complete tekst van de ingezonden brief van Aad Burger naar het blad Zorg&Welzijn.

Wmo: bij de eigen bijdragen geldt draagkracht en geen “botte” inkomensgrens

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) oordeelde op 18 januari 2012 (LJN:BV1309) expliciet dat een gemeente in haar verordening geen inkomenstoets mag opnemen en alleen de wettelijke eigenbijdrageregeling. Voor de burger met een middeninkomen maakt dat veel uit.

door Aad Burger

Het artikel van Hans Gorissen in het nummer van 6 april 2012 is een beetje ingehaald door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 januari 2012. Daarin wordt de uitspraak van 19 december 2011 bevestigd, maar ook gespecificeerd ten aanzien van het in natura verstrekken van Wmo-voorzieningen. Een inkomensgrens zoals sommige gemeenten hanteren, wordt uitdrukkelijk afgewezen.

Voor Utrecht was dit van veel belang omdat de gemeente bij de tarieven voor de Regiotaxi per 1 januari 2012 een inkomensgrens van 150% procent van de toepasselijke bijstandsnorm hanteerde. Het Bestuur Regio Utrecht (BRU) dat de Regiotaxi regelt had zijn vrije tarief per die datum fors verhoogd naar €3,90 (instappen en 1 zone) zodat een korte enkele reis € 7,80 ging kosten. De gemeente Utrecht gaf de mensen met een beperking (Wmo-indicatie) en een laag inkomen een flinke korting: zij hoefden maar 2 maal 50 cent te betalen: € 1,00. Maar “vrije reizigers” EN mensen met een beperking die een verzamelinkomen boven de 150% grens hadden (belastingaangifte 2010) moesten € 7,80 gaan betalen (en voor elke zone extra € 3,90 meer). Dit leidde tot protest en mensen bleven vaker thuis. Het gebruik van de Regiotaxi bij deze mensen liep met meer dan 50% terug, van participatie in het maatschappelijk leven kwam minder terecht, chauffeurs meldden dat een aantal van hen binnenkort ontslagen zou worden.

De uitspraken  van de CRvB kwamen als geroepen. De Clientenraad Wmo PV6 adviseerde het College van Burgemeester en wethouders per omgaande het hoge tarief voor Wmo-geindiceerden te schrappen. En dat heeft de gemeente ook direct gedaan.

Het wel toegestane hanteren van een eigen bijdrage voor een vervoersvoorziening als de Regiotaxi is technisch niet eenvoudig. Maar in elk geval wordt dan rekening gehouden met de draagkracht en de andere eigen bijdragen die de betreffende persoon in het kader van de Wmo (en AWBZ) al betaalt. De berekening van de eigen bijdrage en de draagkracht is bovendien geen zaak van de individuele gemeenten. In artikel 16 Wmo is het CAK aangewezen als de instantie om de Eigen Bijdrage vast te stellen en te innen. Daarbij hanteert het CAK een Rijksregeling met als componenten een Minimaal deel, Inkomensafhankelijk deel, daarover 33% Wtcg korting. Als eenmaal het draagkracht-plafond van de betreffende persoon is bereikt, worden verdere eigen bijdragen niet meer in rekening gebracht.

Voor mensen met een middeninkomen zal dit vaak (veel) gunstiger uitpakken dan wanneer de “botte bijl” van een inkomensgrens wordt gehanteerd. Bij dat laatste moet bijvoorbeeld een alleenstaande 65+-er met een verzamelinkomen boven € 16.007 per jaar evenveel gaan betalen dan leeftijdgenoten met een inkomen van bijvoorbeeld      € 20.000/30.000/40.000 – 100.000 enz.

De uitspraak van de CRvB van 18 januari 2012 moet bij alle gemeenten ertoe leiden dat de inkomensgrens per omgaande wordt afgeschaft. De rechtsgrond ontbreekt. Laten alle gemeenten het goede voorbeeld van Utrecht volgen. Wachten op een formele wijziging van de betreffende gemeentelijke verordening is beslist niet toegestaan en zal tot schadeclaims en onnodige kosten leiden.

Aad Burger is namens de ouderenbonden in de stad Utrecht (COSBO) lid van de gemeentelijke Cliëntenraad Wmo PV6 (voorzieningen).

maandag 20 juni 2011

20110616-Inspraak RIA Voorjaarsnota 2011


Raadsinformatieavond 16/6/2011

Inspraaktekst door voorzitter Cliëntenraad Wmo Pv6 over de besteding van de AWBZ-compensatiegelden.


Geachte raadsleden en toehoorders in deze zaal,

De Cliëntenraad Wmo Pv6 zou graag haar licht laten schijnen op enkele punten uit de voorjaarnota 2011. Om dit goed te kunnen doen, zou ik graag willen beginnen met de ‘Verantwoording 2010’. Hierin is te lezen (op pag. 112) dat "De gevolgen van de AWBZ-versobering voor de individuele voorzieningen (nog) niet zichtbaar zijn in absolute aantallen, maar wel ziet u dat de uitgaven zijn toegenomen als gevolg van complexere problematiek."

Hierop aansluitend stelt het College in de Voorjaarsnota (pag.10) voor de Vrijval stelpost pakketmaatregel AWBZ, jaarsnede 2010, 1,1 miljoen naar de algemene middelen te laten vloeien. Het College wijst wel op Amendement 26 dat vorig jaar bij de behandeling van de Voorjaarsnota is aangenomen, maar trekt daaruit niet de conclusie dat de Vrijval over 2010 in het reservefonds moet blijven. Als CR pleiten we ervoor dit wel te doen. De gevolgen van de pakketmaatregel AWBZ worden inderdaad pas langzaam aan duidelijk, maar volgens ons is de kans groot dat het geld van 2010 de komende paar jaar hard nodig zal zijn om die gevolgen op te vangen. De afweging of het geld tenslotte niet nodig zal zijn en het huidige beleid duurzaam toereikend is, moet volgens de CR pas gemaakt worden aan het eind van de periode waarvoor de compensatiegelden bedoeld zijn. Wij vragen u daarom het College daarop te wijzen en de Voorjaarsnota op dit punt te wijzigen. Hierdoor waarborgt de gemeente een stabiel Wmo-beleid voor de individuele voorzieningen.

In Bijlage 1 (pag.45) staat verder dat er vanaf 2011 structureel 875.000 per jaar aan het budget voor de huishoudelijke hulp wordt toegevoegd. Wij steunen dit voorstel van harte. Ons bereiken berichten dat veel toewijzingen van huishoudelijke hulp plaatsvinden op basis van een telefoongesprek. Daardoor wordt in sommige gevallen een te laag aantal uren toegewezen omdat de aanvrager vaak de neiging heeft zich over de telefoon beter voor te doen dan hij/zij is, We hopen dat in het kader van de Kanteling vaker een keukentafelgesprek kan plaatsvinden om dit te voorkomen. Dan kan ook beter worden voorkomen dat teveel uren worden toegewezen.

Op pag. 18 van de nota en in Bijlage 2 (pag.47) lezen we dat in het kader van Doelmatigheidsmaatregelen vanaf 2014 per jaar 1,5 miljoen wordt bespaard. We hopen dat dit kan zonder dat de doelmatigheid van de betreffende voorzieningen en de participatie van de betrokkenen eronder gaat lijden. Wij zullen de vinger aan de pols houden en we hopen dat u dat ook zal doen.


Martijn van Andel, voorzitter Cliëntenraad Wmo Pv6


woensdag 3 november 2010

20101031-Advies EenvoudigeLoopHulpmiddelen 2011

Advies CR WMO over voorgenomen besluit Eenvoudige Loop Hulpmiddelen

                                                                                                                             3 november 2010  

Geacht College van B&W,

Naar aanleiding van informatie vanuit ambtelijke zijde tijdens de vergadering van de Cliëntenraad WMO van 27 oktober j.l. omtrent bovengenoemd besluit, brengen wij het volgende onder uw aandacht.

1.   In het nieuwe voorstel wordt voorgesteld de eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen niet op te nemen in de Wmo omdat deze voorzieningen financieel haalbaar zijn voor de burger. Om deze reden wordt voorgesteld de kosten van de mobiliteitshulpmiddelen noch vanuit de Wmo noch vanuit de Bijzondere bijstand te vergoeden. Mocht er een individuele situatie voorkomen waarin dit financieel niet haalbaar is, kan er op grond van de hardheidsclausule toch nog wel aanspraak op Bijzondere bijstand worden gedaan.

2.   De Wmo Clientenraad PV6 sluit zich aan bij de opvatting dat voor de overgrote meerderheid van burgers de kosten van bijvoorbeeld circa € 150 voor een rollator financieel haalbaar zijn omdat men die kosten meestal tijdig ziet aankomen en bovendien  een rollator van de thuiszorgwinkel maximaal 1 jaar in bruikleen kan worden verkregen. Ook zal in veel gevallen tegen een lagere prijs een tweede hands hulpmiddel verkrijgbaar zijn.

3.   Waar het nu omgaat is of in individuele gevallen waarin toch financiele ondersteuning in de vorm van het gehele bedrag of een deel ervan nodig blijkt, een beroep moet worden gedaan op de Wmo of de Bijzondere bijstand.

4.   In een brief van 8 oktober jl. van de demissionaire Minister van VWS, dr.A.Klink, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer stelt deze dat het nimmer de bedoeling is geweest dat de gemeente voorzieningen verstrekt die als ‘algemeen gebruikelijk’ worden beschouwd. Hij stelt dat anno 2010/2011 dit het geval is bij genoemde hulpmiddelen. Ondersteuning vanuit de Wmo komt volgens hem daarom te vervallen. Wel kan in voorkomende gevallen in bijzondere omstandigheden een beroep worden gedaan op de Bijzondere bijstand. De gemeenten zullen hiervoor een passende financiele compensatie ontvangen. Wij merken hierbij op dat afgewacht zal moeten worden of de nieuwe regering zijn besluit inclusief de passende financiele compensatie ongewijzigd over zal nemen.

5.   Ons bezwaar tegen dit voorstel is allereerst dat het nog maar de vraag is of deze hulpmiddelen als ‘algemeen gebruikelijk’ moeten worden beschouwd. Bovendien geeft de Wmo de individuele gemeenten grote beleidsvrijheid en is het nog maar de vraag of de Minister de Gemeente op deze wijze kan voorschrijven ook in bijzondere omstandigheden geen ondersteuning vanuit de Wmo te verstrekken.

6.   Als wij kunnen kiezen tussen ondersteuning vanuit de Wmo of vanuit de Bijzondere bijstand, adviseren wij u de weg van de Wmo te bewandelen. Voor veel ouderen en anderen is de Bijzondere bijstand niet iets waar men graag een beroep op zal willen doen. Bovendien zijn er bepalingen in de Bijzondere bijstand die in veel gevallen een te hoge drempel vormen. Bij de Wmo kan de gehele situatie van de betrokkene met minder regelgeving bekeken worden.

7.   Het is nog maar de vraag of het hier gaat om een relatief kleine groep mensen, die
      financiele ondersteuning op dit punt nodig hebben. Wij wijzen er op dat verstrekking van eenvoudige loophulpmiddelen ook vanuit de AWBZ geschrapt wordt. Dit heeft consequenties voor de groep bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen en RIBW’s, die aangewezen zijn op een karige zak- en kleedgeldregeling. Daar deze groep in een AWBZ voorziening verblijft, is het de vraag of zij een beroep kunnen doen op de Bijzondere bijstand. Als de regelgeving van de WWB dit onmogelijk maakt, blijft alleen een beroep op de WMO over.

8.   Mocht u wegens de financiele compensatie van het Rijk toch kiezen voor de weg van de Bijzondere bijstand, dan pleiten wij ervoor om voor personen die dan buiten de boot vallen toch de mogelijkheid open te laten een laatste beroep op de Wmo te doen. Wij willen gaarne voorkomen dat burgers wier uiteindelijke beroep op de Wmo categorisch wordt afgewezen vervolgens alleen via een procedure van Bezwaar en Beroep kunnen laten vaststellen of het Rijk en/of de Gemeente dat terecht hebben gedaan. Een dergelijke procedure kan jaren duren en is alleen al daarom voor de betrokkene een zeer onaantrekkelijke keus. Ook voor de Gemeente is dit een tijdrovende en kostbare weg die op de door ons voorgestelde wijze voorkomen kan worden.

Met vriendelijke groeten,

Martijn van Andel, waarnemend voorzitter, Cliëntenraad WMO Pv.6